Satire, Satan en seks?
juni 2026William Hogarth, Libertine Lords en hun Hell-Fire Clubs
De in zijn tijd baanbrekende, maar controversiële schilder-graveur William Hogarth (1697-1764), verandert de Engelse kunst op fundamentele wijze door de introductie van wat hij zelf ‘modern, moral subjects’ noemt. In zijn werk legt de ‘father of British Art’ met bijtende spot op venijnig humoristische wijze de hypocrisie en zondigheden van het 18de-eeuwse Londen vast. Daar lopen onschuldige plattelandsmeisjes, die op zoek zijn naar werk, in de val die hoerenmadams en pooiers zorgvuldig voor hen hebben uitgezet (afb.)

De voor rijke klanten geronselde meisjes vervallen langzaamaan van goedbetaalde maintenees tot door syfilis aangetaste creaturen, die, als zij niet worden opgepakt en tewerkgesteld in daarvoor bestemde tehuizen, in hun laatste levensfase elke slecht betalende klant ter wille zijn. Hogarth verwerkt hun tragische lotgevallen in 1732 in A Harlot’s Progress, een zesdelige prentenreeks waarin hij de voor een breed publiek bestemde voorstellingen verweeft met voor Londenaren herkenbare klanten, gerechtsdienaren, pooiers en erotiek. Sex sells. Met de titel verwijst hij spottend naar The Pilgrim’s Progress from This World, to That Which Is to Come, een destijds bekende en veel gedrukte christelijke allegorie die de Engelse nonconformistische predikant John Bunyan in 1678 tijdens zijn twaalf jaar durende gevangenschap schrijft.
De prenten van A Harlot’s Progress vliegen de deur uit en maken Hogarth in één klap financieel onafhankelijk. Voortaan kan hij zijn eigen creatieve ideeën in prenten op de markt brengen zonder van een opdrachtgever afhankelijk te zijn. Met 1240 inschrijvingen is A Harlot’s Progress zo populair dat al snel illegale kopieën op de markt verschijnen. Om zijn inkomen veilig te stellen strijdt Hogarth voor wetgeving ter bescherming van het auteursrecht van graveurs en houdt, voor de zekerheid, een door hem bedachte vervolgserie achter. De door Hogarth gewenste wet wordt in 1735 aangenomen en zal als de Hogarth Act geschiedenis schrijven.
Hogarth spaart niemand. Na het succes van A Harlot’s Progress en het aannemen van de Hogarth Act brengt hij in 1735 zijn nieuwe achtdelige prentenserie uit: A Rake’s Progress. Daarin verbeeldt hij de herkenbare teloorgang van de fictieve Tom Rakewell, de losgeslagen zoon van een gierige koopman uit de Londense City, die het door zijn vader bij elkaar geschraapte fortuin er na diens dood doorheen jaagt in bordelen en aan de goktafels van ranzige, doch bekende etablissementen (afb.).

Hoerend en snoerend trekt de social climber door het leven. Daarbij gaat het van kwaad tot erger. Uiteindelijk eindigt Rakewell berooid en krankzinnig door syfilis in The Royal Bethlem Hospital, waar hij door betalende bezoekers wordt herkend en uitgelachen.
In zijn derde en laatste reeks, Marriage A-la-Mode (ca. 1743), werkt Hogarth in zes delen opnieuw een voor een ieder herkenbare situatie uit, namelijk die van het gearrangeerde huwelijk tussen berooide adel en les nouveaux riches. De reeks begint met The Marriage Settlement waarop de Earl of Squander onderhandelt over het huwelijk van zijn zoon met de dochter van een rijke City wethouder (afb.).

Door dit huwelijk krijgt de dochter van de wethouder de door haar vader begeerde adellijke titel van countess en de verkwistende Earl zakken met cash geld. Het bruidspaar, waarvan de bruidegom overduidelijk tijdens zijn Grand Tour syfilis -bekend als the French disease– heeft opgelopen, is niet in elkaar geïnteresseerd en zoekt al gauw na de huwelijksvoltrekking vertier buiten de deur. Dat leidt tot moord en doodslag. Als de echtgenoot zijn vrouw met haar minnaar betrapt, steekt de minnaar de echtgenoot dood, en als vervolgens de minnaar voor straf wordt opgehangen, drinkt de vrouw een fles laudanum leeg. Op haar sterfbed trekt haar berekenende vader gauw nog even een kostbare ring van haar vinger.
Het is niet verwonderlijk dat de gevestigde academicians, die volgens strikt voorgeschreven regels op de renaissance en oudheid gerichte Kunst met een grote K produceren, weinig ophebben met Hogarths modern, moral subjects. Zij bekijken hem met argwaan, houden hem met misnoegen op afstand en sluiten hem buiten de kringen van de prestigieuze Royal Academy of Art. Maar anderen smullen van zijn werk. Zij kopen op inschrijving de prenten die hij op basis van zijn schilderijenreeksen maakt en bij hem thuis in Leicester Fields (nu Leicester Square) tentoonstelt. Antiquair en graveur George Vertue (1684–1756) merkt bij de tentoonstelling van A Rake’s Progress op dat daar ‘dagelijks abonnementen binnenkwamen, vijftig of honderd pond per week’ en er geen dag voorbij gaat waarop geen ‘vooraanstaande personen en kunstenaars’ bij Hogarth over de vloer komen ‘om deze schilderijen te bekijken.’

Zeer waarschijnlijk op verzoek van één van die ‘vooraanstaande personen’, Lord Francis Dashwood (1709-1781), maakt Hogarth in 1757 een opvallend schilderij (afb.). De satire spat van het doek. Het venijn zit hem in de attributen. Hogarths schilderij is een openlijke parodie op de vaak in Italië geschilderde ascese van de daar op grote schaal vereerde heilige Fransciscus van Assisi die zich volgens de traditie, al biddend met een schedel of kruisbeeld in de hand, op mystieke wijze met God verbindt. Van die religieuze verheven situatie is hier geen enkele sprake. Op het schilderij van Hogarth knielt niet Franciscus van Assisi voor de gekruisigde Christus neer, maar zijn achttiende-eeuwse naamgenoot Francis Dashwood die een naakte vrouw aanbidt. In plaats van de bijbel leest de als Franciscus verklede Dashwood de 17de-eeuwse pornografische Elegantiae Latini Sermonis. Geen in mooi Latijn geformuleerde toespraken -zoals de titel opzettelijk doet vermoeden- maar fictieve dialogen tussen Octavia en de getrouwde Tullia, die de seksuele inwijding van haar jongere nichtje voor haar rekening neemt, zodat die beter voorbereid is op het huwelijk en de wensen van haar toekomstige echtgenoot. De op schilderijen van Franciscus gebruikelijke schedel, die naar zijn boetedoening verwijst, is door Hogarth bij Dashwood vervangen door een Venetiaans carnavalsmasker. Op het gesuggereerde altaar staan geen kelk en pateen voor de viering van de eucharistie. Wel ligt daar vóór een schaal met suggestief vormgegeven fruit op de grond. De rozenkrans blijkt bij nader inzien een parelcollier met een roze strikje eraan. Boven het hoofd van Dashwood verschijnt het karakteristieke profiel van zijn vriend John Montagu, 4th Earl of Sandwich, in een nimbus. Wat is hier in hemelsnaam gaande?

Dashwood leidt de door hem opgerichte Medmenham Friars, ook wel The Knights of Saint Francis of Wycombe genoemd, één van de meest beruchte Hell-Fire Clubs in het achttiende-eeuwse Engeland. De leden ervan houden zich bezig met plechtstatige diners, drinkgelagen en gokken, maar soms is het hen te doen om godslastering, satanische rituelen, seksuele uitspattingen en opzettelijk wangedrag. Althans, zo gaan de geruchten. Niemand weet precies wat zich tijdens de zomerse bijeenkomsten in de door Dashwood verbouwde ruïnes van de voormalige Cisterciënzer Medmenham Abbey in Buckinghamshire afspeelt (afb.). De club is immers besloten en de leden zijn aan geheimhouding gebonden. Maar de bedekte termen van de door de Friars gevoerde correspondentie bevatten aanwijzingen voor buitenechtelijk seksueel vertier. Bovendien klapt het in ongenade gevallen lid John Wilkes, die niet meer welkom is bij de Friars vanwege een ruzie in het Parlement, uit de school. Met de openbaring van zijn wederwaardigheden als voormalig Friar gooit hij flink wat olie op het vuur van de draaiende geruchtenmachine, die al eerder door roddel en achterklap en publicaties op gang is gekomen. Een belangrijke bron over de Medmenham Friars is Chrysal, or The Adventures of a Guinea, een roman van Charles Johnstone, waarvan de daarin beschreven gebeurtenissen voor waar zijn aangenomen. Johnstone publiceert de eerste editie van Chrysal in 1760, voordat Wilkes de Medmenham Friars onder de aandacht van het publiek brengt. Maar nadat Wilkes uit de school klapt, publiceert Johnstone gauw een nieuwe, uitgebreidere editie van Chrysal met daaraan de verhalen van Wilkes toegevoegd. Boek III van de uitgebreide editie gaat over Medmenham en is losjes gebaseerd op Wilkes’ onthullingen. Andere, fantasierijke publicaties volgen Johnstone’s Chrysal en dragen bij aan het liederlijke beeld van de Friars, totdat die uiteindelijk worden beticht van deelname aan een satanische sekte, het beoefenen van zwarte magie en het uitvoeren van onzedelijke riten.
Wat tijdens de bijeenkomsten van de Medmenham Friars daadwerkelijk passeert, is op basis van feiten moeilijk vast te stellen. Wilkes beweert dat Dashwood regelmatig als Franciscus van Assisi de mis viert en met al dan niet satanische rituelen de katholieke kerk belachelijk maakt. Deze bijeenkomsten eindigen steevast in een drinkgelag, waarbij de Friars zich zouden storten op als Nuns verklede hoeren. Wilkes beschrijft de tuin, de boomgaard en aangrenzende bossen van de Abbey waarvan de classicistische beelden met inscripties verwijzen naar seksueel genot. Ook voert Wilkes aan dat boven de ingang van Medmenham Abbey ‘Fay ce que vouldras’ staat genoteerd, een aan Rabelais ontleend citaat uit diens beschrijving van L’Abbaye de Thélème uit Gargantua (1534), een utopische kloostergemeenschap waar geen regels bestaan, behalve het ‘doe zoals je wilt’. ‘Fay ce que vouldras’ kan betekenen dat binnen Medmenham Abbey alles is toegestaan, waaronder overmatig drankgebruik, heiligschennis en seksuele uitspattingen, maar het is de vraag of de Friars tijdens hun bijeenkomsten de wet overtreden. Dashwood schrijft in het politieke pamflet ‘An Address to the Gentlemen, Clergy and Freeholders of Great Britain uit 1747, dat vrijheid niet betekent dat een individu mag handelen zoals hij wil, maar dat hij alleen binnen de wet mag doen wat hij wil. Of dat ook voor de bijeenkomsten in Medmenham Abbey geldt, is moeilijk na te gaan, want concrete bronnen zijn schaars.
In 1763 bezoekt schrijver en connoisseur, Horace Walpole, na de onthullingen van Wilkes, Medmenham Abbey, als de Friars de abdij nog steeds voor hun bijeenkomsten gebruiken. Hij bevestigt de omgeving die Wilkes beschrijft en vult die aan. Seks lijkt een belangrijke bezigheid van de Friars, net als godslasterlijke praktijken. Volgens Walpole hebben alle Friars een eigen cel met een bed. Daar kunnen ze ongezien vrouwen ontvangen. In de achttiende eeuw is het gebruik dat clubleden portretten van zichzelf laten schilderen. Ook Walpole beschrijft de aanwezigheid van portretten van de Friars met hun pseudoniemen, maar het is niet zeker of zich hiertussen het portret van Dashwood bevindt dat Hogarth in 1757 van hem schildert. De kleding van de Friars hangt nog aan de kapstokken. Walpole’s beschrijving daarvan ontkracht het gerucht dat de Friars kleding van een religieuze orde dragen, zoals die van de Franciscanen. ‘Het habijt lijkt meer op dat van een waterdrager dan op dat van een monnik, en bestaat uit een witte hoed, een witte jas en een witte broek. De prior draagt een rode hoed zoals een kardinaal, en een rode kap met een opstaande rand van konijnenbont´, aldus Walpole. Walpole mag de kapel van Medmenham Abbey niet in, maar voegt desondanks toe dat ‘gezegd wordt dat er schunnige schilderijen hangen’, hetgeen zou kunnen betekenen dat dit de geëigende locatie is voor Hogarths portret van Dashwood.
Uit brieven en cellarbooks van de Dashwood familie uit West Wycombe blijkt dat een groep mannen regelmatig in de zomermaanden bijeenkomt in Medmenham Abbey voor conversatie en diner. Elk lid mag tijdens de bijeenkomsten een aantal flessen drank uit de kelder van de club halen. Maar in die documenten staat niets over wat Wilkes beweert. Het enige dat vaststaat is dat er een besloten genootschap in Medmenham bestaat dat zich bezighoudt met rollenspellen. De tuinornamenten en inscripties rond de abdij, die Wilkes en Walpole beschrijven, suggereren dat seks een rol speelt in het ‘abdijleven’, en dat daarbij drank wordt genuttigd. Zelf gebruiken Dashwood en zijn kompanen de term Hell-Fire niet, in tegenstelling tot hun tijdgenoten. In algemene zin is een ’rake-hell’ een losgeslagen schurk. Al in 1653 gebruikt filosoof Henry More het woord om losbandige mannen te beschrijven die zich te buiten gaan aan drank en seks en ’s nachts op luidruchtige en gewelddadige wijze de rust van fatsoenlijke burgers verstoren, die hun activiteiten ten zeerste afkeuren waarna maatregelen volgen.
Clubleden als Dashwood en zijn peers zijn overdag hoveling, parlementslid, hoogleraar of schrijver. ’s Nachts gooien ze in clubverband de beperkingen van sociaal wenselijk gedrag overboord. Daarop vormen de heren geen uitzondering. In de achttiende eeuw floreren de zogenaamde Hell-Fire clubs als exclusieve genootschappen voor leden van de Britse en Ierse elite, die met hun tegendraadse gedrag de argwaan van het establishment oproepen, te meer omdat geruchten over losbandigheid, overmatig drankgebruik, gokken en seksuele escapades -vaak onder het mom van schijnbaar religieuze of satanische rituelen- steeds vaker de kop opsteken. Dezelfde soort argwaan valt William Hogarth ten deel vanwege het schilderen van zijn modern, moral subjects. Hij maakt niet alleen het scabreuze portret van oprichter Francis Dashwood, maar onderhoudt ook nauwe banden met enkele leden van de Medmenham Frairs. Vandaar dat tot op de dag van vandaag wordt beweerd dat Hogarth deel uitmaakte van de club, hoewel ook daarvoor concreet bewijs ontbreekt.
afb. 1. William Hogarth, “Mother” Needham inspecteert plattelandsmeisje Mary Hackabout bij aankomst in Londen, 1732. Metropolitan Museum of Art, NYC.
Afb. 2. William Hogarth, The Tavern Scene (nr. 3 uit A Rake’s Progress), 1732-1733. Sir John Soane’s Museum, London.
Afb. 3. William Hogarth, Marriage A-la-Mode: 1, The Marriage Settlement, ca. 1743. The National Gallery.
Afb. 4. William Hogarth, Lord Francis Dashwood als parodie op Franciscus van Assisi, 1757. Privé collectie.
Afb. 5. Medmenham Abbey, William Tombleson, 1840

Volg ons